|
Meeste bouw-zzp’ers zijn professionele ondernemers
Zzp’ers in de bouw zijn veelal professionele ondernemers die investeren in hun bedrijf, zich waar mogelijk verzekeren en gemiddeld 10 opdrachtgevers per jaar bedienen. Zij halen het merendeel van hun omzet uit klantenwerk in het onderhoud van woningen en gebouwen. Circa 10 tot 20 procent van de 80 duizend bouw-zzp’ers heeft met drie of minder opdrachtgevers per jaar een kwetsbare marktpositie.
Dit blijkt uit het vandaag verschenen rapport ‘Zzp’ers in de bouw: marktpositie en vooruitzichten’ van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB). Het onderzoek werd verricht in opdracht van Cordares, pensioenuitvoerder van onder andere de bouwsector. De studie beschrijft de marktpositie van de zzp’ers in de bouwsector aan de hand van een grootschalige enquête. Het rapport werpt eveneens een vooruitblik op de periode tot 2020.
Het onderzoek laat zien dat de zzp’er niet, zoals soms wordt gedacht, voor het merendeel van zijn omzet afhankelijk is van inhuur door aannemers in de bouw. Circa 80% verricht wel eens werk voor particulieren; voor bijna de helft zijn die zelfs de belangrijkste opdrachtgever. Bouw-zzp’ers maken doorgaans veel uren: 2175 uur per jaar, waarvan 75 procent declarabel. De gemiddelde jaaromzet wordt geschat op €68 duizend. Het gemiddelde bruto jaarinkomen bedraagt naar schatting €42 duizend, wat overeenkomt met €2430 netto per maand. Zzp’ers in de bouw zijn vrijwel allemaal man. Met een gemiddelde leeftijd van 44 jaar zijn ze wat ouder dan bouwwerknemers (gemiddeld 41 jaar). De meeste zzp’ers zitten in de leeftijdcategorie 40-49. Het opleidingsniveau van zzp'ers is in het afgelopen decennium gestegen. Het merendeel (83%) van de zzp’ers was voordien in loondienst. De gemiddelde overstapleeftijd is 35 jaar.
Bouw-zzp’ers zijn in vergelijking met werknemers in de bouw meer bereid zijn tot het nemen van risico’s. Dat neemt niet weg dat de meerderheid zich verzekert voor risico’s die zelfstandigheid met zich meebrengt. Met name als het gaat om risico’s die de continuïteit van het bedrijf in gevaar kunnen brengen: aansprakelijkheid (68%) en arbeidsongeschiktheid (57%).
Het zzp-aandeel in de bouwwerkgelegenheid nam toe van 5 procent in 1996 tot 15 procent in 2009. Dergelijke groeicijfers worden voor de toekomst niet verwacht. In 2020 ligt het aantal zzp’ers in de bouw tussen 80 en 125 duizend. Naar verwachting zal hun aantal in de komende 10 jaar gematigd verder toenemen. Alleen in een scenario met hoge groei, deregulering en marktwerking telt de bouw 125 duizend zzp’ers in 2020. Hun aandeel in de werkgelegenheid is dan met 23 procent vergelijkbaar met het Verenigd Koninkrijk, thans koploper in Europa.
De sociale zekerheid van bouw-zzp’ers kan nog worden verbeterd. Ruim de helft is op enigerlei wijze verzekerd voor arbeidsongeschiktheid. In hoeverre daarbij sprake is van adequate dekking, is niet onderzocht. Een vrijwillige individuele verzekering voor arbeidsongeschiktheid is duur, omdat de verzekering relatief veel hoogrisico-klanten aantrekt. Wanneer een sobere basisverzekering voor zzp’ers verplicht zou zijn, kan deze voor iedereen betaalbaar worden gemaakt. Maar zo’n verplichtstelling zou wel zorgvuldig moeten worden afgewogen tegen de beperking van de keuzevrijheid van ondernemers. Ook pensioenvoorzieningen op individuele basis zijn duur; slechts 30% van zzp’ers heeft voorzieningen voor het pensioen getroffen. Het zou te overwegen zijn om bouw-zzp’ers op vrijwillige basis aan het collectieve pensioen te laten (blijven) deelnemen. Op dit moment kan dat tot maximaal 3 jaar. Werkloosheid en inkomenszekerheid moeten voor zzp’ers als onverzekerbaar worden beschouwd. Dit zijn risico’s die het ondernemerschap onvermijdelijk met zich meebrengt en die niet doelmatig verzekerbaar lijken.
De EIB-studie nuanceert het beeld dat de komst van de zzp’er een bedreiging voor de collectiviteit van de bouwsector zou zijn. Aan de ene kant leveren ze geen bijdrage aan collectieve voorzieningen zoals de vakopleiding, terwijl ze er wel van profiteren. Aan de andere kant dragen zij in hun loondienstjaren relatief meer af voor het collectieve pensioen. Daar komt bij dat ze in hoog- en laagconjunctuur een buffer vormen in de arbeidscapaciteit, die schokken in de werkgelegenheid opvangt en daardoor het werkloosheidsrisico voor werknemers verkleint.
Voorzitter Charles Verhoef van FNV ZBo is verheugd met de constatering dat bouw-zzp’ers veelal professionele ondernemers zijn: “Hopelijk helpt dit om het onterechte negatieve beeld over zzp’ers bij te stellen”. FNV ZBO onderschrijft de conclusies met betrekking tot de sociale zekerheid van zzp’ers. Uit onderzoek onder haar leden blijkt dat een groot deel voorstander is van een verplichte basisverzekering tegen arbeidsongeschiktheid. “Met name oudere zzp’ers worden veelvuldig geweigerd door de verzekeraars”, aldus Verhoef. Arend van Wijngaarden van CNV Vakmensen: “Als ondernemers vinden dat verplichte verzekeringen strijdig zijn met hun keuzevrijheid, dan mogen zij ook de gevolgen van onverzekerd zijn niet afwentelen op de samenleving”. Werkgeversorganisatie Bouwend Nederland laat weten blij te zijn met het EIB-onderzoek. “Het EIB-onderzoek toont aan dat zzp’ers een rol van betekenis spelen in de bouw- en infrasector.”
|